Tekstfragmenten

Uit De evolutie van een huwelijk klik hier

Voor Dilatation klik hier.

Uit Bleke Rozen (over Clara Schumann en Fanny Mendelssohn)

CLARA: Misschien verhoorde Hij je niet omdat Hij jouw God niet is.

FANNY: Jouw God is mijn God.

CLARA: Maar mijn volk is niet het jouwe.

FANNY: Ik ben Duits en ik ben protestants en ik bid tot God, net zoals jij dat doet. Ik heb net zoveel recht als jij op gezonde kinderen. Kijk eens naar je dochter! Je keurt haar geen blik waardig. Wat ik er niet voor had gegeven een dochter te krijgen. Ik heb met natte rokken aan de grond genageld gestaan, te bang om mij te verroeren, te beschaamd om door te lopen. Ik heb gewacht tot de duisternis mij verborg. Ik heb met mijn handen vol bloed gestaan. Ik heb een onvolmaakt wezentje gezien, opgekruld in het vocht aan de voet van mijn pianokruk. (MARIE speelt Im Herbste.) Auf des Gartens Mauerzinne/Bebt noch eine einz’ge Ranke/Also bebt in meinem Sinne/Schmerzlich nur noch ein Gedanke/Kaum vermag ich ihn zu fassen/Aber dennoch von mir lassen/will er, ach, zu keiner Frist/Und so denk ich ihn und trage/alle Nächte, alle Tage/mit mir fort die dumpfe Klage/dass du mir verloren bist.

CLARA: Kinderen maken niet gelukkig. Ik was nog niet eens bevallen of ik raakte alweer zwanger. Zat ik weer met een dikke buik achter de piano. Ik moest geld verdienen, ik moest Robert ondersteunen, ik had de andere kinderen om voor te zorgen. Had je er echt alles voor gegeven nog meer kinderen te krijgen? Zou je stoppen met pianospelen? Zou je je composities verscheuren, je pennen breken, je inkt op laten drogen?

FANNY: Een kind is een zegen.

CLARA: Wil je er een van mij hebben dan? Welke wil je? Julie die doodging in de bloei van haar leven? Een stralende jonge bruid van haar leven beroofd. Felix, misschien, die doodging aan tuberculose? Die op het einde alleen een fluisterend soort hijgen voort kon brengen? Ferdinand dan, die stierf aan zijn morfine- en opiumverslaving en wiens familie ik gedurende zijn leven en na zijn dood heb moeten onderhouden? Of Emil, die als peutertje stierf aan koorts? Emil, denk ik, die heeft in ieder geval niet lang genoeg geleefd om zich al te geliefd te maken. Of toch liever Ludwig die gek is geworden en de laatste dertig jaar van zijn leven in een gekkengesticht heeft doorgebracht? Of had je liever het kind gehad dat ik in 1853 in mij droeg en heb toevertrouwd aan de koude golven van de Noordzee, het kind dat ik verstoten heb uit mijn lijf, verbannen heb uit mijn leven. Je hoeft het maar te zeggen, Fanny. Je hoeft het maar te vragen. (MARIE speelt Die frühen Gräber.) Wilkommen, o silberner Mond/Schöner, stiller Gefährt’ der Nacht/du entfliehst? Eile nicht/Bleib’, Gedankenfreund/Sehet, er bleibt, das Gewölk wallte nur hin//Des Maies Erwachen ist nur/schöner noch, wie die Sommernacht/wenn ihm Tau, hell wie Licht, aus der Locke träuft/und zu dem Hügel herauf röttlich er kommt//ihr Edleren, ach, es bewächst/eure Male schon ernstes Moos/o, wie glücklich war ich, als ich einst mit euch/sahe sich röten den Tag, schimmern die Nacht! (stilte) Uiteindelijk verlaten ze mij allemaal. Mijn moeder, mijn kinderen. Robert.

***

Uit Kafka’s harem (personages Josefine, Rosa en Leni ontmoeten Kafka’s echte vrouwen Felice, Milena en Dora)

(JOSEFINE glijdt breed glimlachend, haar armen wijd uitgespreid en haar nek uitgestrekt, het podium op. Dan struikelt ze en valt ze met haar rug op de grond. Ze kan niet meer opstaan en maait met haar armen en benen door de lucht, als was ze een kever die op zijn rug gevallen is)

JOSEFINE: Hallo! Joehoe! Jij daar, meisje in dat verpleegsterspakje!

DORA: Heeft u het tegen mij?

JOSEFINE: Is hier soms nog iemand anders? Bovendien ben jij toch zo goed in verplegen? (blijft met haar armen en benen door de lucht maaien)

DORA: Hoe weet u dat?

JOSEFINE: Wel, jij hebt toen zo goed voor Franz gezorgd, dat was jij, toch? (DORA helpt JOSEFINE op te staan en brengt haar naar het bankje. JOSEFINE hinkt) Kom, help me te gaan zitten. Met een bezeerde voet kan ik niet zingen.

DORA: Waar heeft u Franz leren kennen?

JOSEFINE: Ach, ja, die Franz. Hij was een groot bewonderaar van mij en mijn zangkunst, dat begrijp je. Ik natuurlijk ook van hem. Een buitengewoon schrijver. Bui-ten-gewoon!

DORA: En wanneer heeft u hem leren kennen?

JOSEFINE: 1924. In zijn laatste levensjaar. Zo een tragisch einde. Tra – gisch. (hoest een beetje)

DORA: Maar dan kunt u hem niet ontmoet hebben! Ik was in dat jaar bij hem en ik liet hem geen moment alleen! Hij ging niet met andere vrouwen om. Alleen ik mocht voor hem zorgen. Alleen ik mocht de hele dag bij hem zijn: wanneer hij in bed lag, wanneer hij las, zelfs wanneer hij schreef. Niemand anders. Alleen ik.

JOSEFINE: Natuurlijk, lieverd. Maar toen hij voor een paar weken terug naar Praag ging, ben jij niet met hem meegegaan, of wel soms? Jij bent toen in Berlijn gebleven. En ik was bij Franz. (hoest weer)

***

Uit Bluesical (Dead Brother’s Blues) (Antigone in het Diepe Zuiden van Amerika)

ZUS: Hij verdient een begrafenis.

VADER: (VADER begint onbedaarlijk te lachen.) Hij heeft zijn eigen einde verdiend.                  Hij zal als voorbeeld dienen voor de rest. Hij zal blijven hangen waar hij hangt totdat de aasgieren het laatste restje stinkende, rottende vlees van zijn botten hebben gepikt. Ze zullen zijn hersens door zijn neus naar buiten slurpen, zijn organen door zijn ribben naar buiten trekken. En jullie zullen elke dag langs hem lopen. Jullie zullen de takken horen kraken, wanneer zijn resten door de wind worden geduwd en getrokken. Zijn geur zal jullie achtervolgen, zodat jullie nooit meer vergeten waar ongehoorzaamheid toe leidt. Hij was mijn bezit. Jij bent zijn zus. Vergeet dat niet. (VADER knikt naar zijn schoenen.) Tot het glanst, meid. Tot het glimt zoals de huid van je natte, zwarte dijen.

KOOR: (zingt opgewekt Hard drivin’ papa) Lord I wish I could die, ‘cause my man treats me like a slave/ (ZUS zingt mee.) Lord I wish I could die, my man treats me like a slave (ZUS stopt.)/As to why he drives me, I’m sinkin’ low, Lord, in my grave!/(VADER zingt mee) He’s a hard drivin’ papa, drives me all the time/Drives me so hard, I’m ‘fraid I’ll lose my mind/(VADER stopt met zingen, maar tikt mee op de flessen) And when the sun starts sinkin’, I start sinkin’ into crime!/ Lord, I rise in the mornin’, dress when the clock strikes four/I’ve a clock on one and scrubbin’ somebody’s floor/He takes all my money and starts to cry for more!/(VADER staat op. ZUS zit geknield bij zijn voeten. VADER trekt haar omhoog en omhelst haar. ZUS wendt zich af. VADER gaat met glimmende schoenen af.) I’m goin’ to the river, feelin’ so sad and blue/I’m goin’ to the river, feelin’ so sad and blue/(ZUS zingt mee.) Because I love him, ‘cause there’s no-one can beat me like he do! (ZUS knoopt de vaatdoek die ze in haar hand heeft aan de andere vastgeknoopte vaatdoeken.)

Scène 2

(ZUSJE komt op, knoopt een vaatdoek om haar hoofd en begint de barkruk schoon te maken. ZUS draalt. Ze fluit op de flessen die op de bar staan.)

ZUSJE: Ik weet wat je denkt. Doe het niet.

ZUS: Ik heb geen keus.

ZUSJE: Ik heb al een broer verloren. Niet ook nog mijn zus.

ZUS: Ik kan hem daar niet laten hangen.

ZUSJE: Je bent als een moeder voor me…

ZUS: Een moeder zou haar zoon begraven.

***

Advertenties

Reageer hier

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s